Tuinhuis – odevertelling

Als ik aan kom fietsen
is er verlangennu nog
een wankel geraamte
geplukt
gestript
door handen
met stopverf onder nagels
en splinters
ontdaan van oude winters
die haar binnenwerk
vochtig
lieten krommen
laat ze zich
voeden
door donzige
zadenplanten
waarin muizen
naast haar slapen
als de zomer
binnenstroomt
kraken haar kieren
van geluk
vogelgeluiden
zuchtend riet
lachende margrieten
zwarte aarde
in de groeven van mijn huid
zorgen
dat ik haar
nooit verlaat
ze steeds aanwezig is
zelfs
in de nacht
de geur van hout
van groen
gekwetter in mijn kop

Zo bouw ik aan haar
en bouwt zij mij op
wetend
dat ze wacht
die groene plek
mijn tuinhuisje
nummer negenenveertig