Veenmol – terrasvertelling

‘Ik heb vandaag aardappelen gerooid.’
Het zijn de woorden van een lange slungelige man met een verweerd gezicht.

Hij draagt een wijd overhemd, bruine sandalen en een korte vale broek. Zijn haar zit in een staart.
Al kan je dit zielige plukje haar amper een staart noemen. Toch is het voorstelbaar dat hij in zijn jonge jaren iets aantrekkelijks had.

‘De oogst is mager, vervolgt hij zijn gesprek.
‘Zeker te droog voor de tijd van het jaar’, zegt de kale man naast hem.

Een gesprek op het terras van het plaatselijke bruine café met uitzicht op een kerk met indrukwekkende afmetingen.

Ja, zegt de slungel weer: ‘het is de veenmol, ze graven gaten, in mijn aardappelen.
De kale sjort zijn bandplooibroek op samen met zijn opbollende buik en valt even stil voordat hij weer antwoord.
‘Zet je d’r toch een bordje bij, niet graven in mijn aardappelen’.

‘Veenmollen kunnen niet lezen’.
‘Nee, dat is waar’.
‘De aardappels zijn ook goed rond dit jaar’.
‘Zijn aardappels niet altijd rond?
‘Nu zijn ze erg rond, handig, voor je weet wel’.
En de slungel maakt een gebaar in de lucht. Ineens staat hij op en steekt schuin de straat over
waar hij een mobieltje uit zijn fietstas haalt en weer terugloopt naar het terras.

‘Kijk dat is hem nou, zijn magere vinger tikt op het glas van de mobiel die hij onder de neus van zijn terrasgenoot drukt.
‘Groot hé, het lijkt wel een kreeft met die flinke graafpoten en hij heeft vleugels op zijn rug. Ze zitten vijftien centimeter onder de grond als een mol, als ik sla heb staan, bijten ze de stengel ondergronds door. Met de aardappelen doen ze ook wat’.

Weer volgt er een lange stilte, nu is het weer de slungel die opnieuw spreekt.
‘Van de week he, wilde iemand er eentje, ik had er vijf gevangen, drie kleintjes.
‘Oh’ zegt de kale.
‘Ja , voor een schoolproject of zo’.
‘Hoe vang je ze? Vraagt de kale nu, en de ogen van de slungel lichten meteen op.
‘Met zeep, afwasmiddel in een flesje, dan in de gaten, wat water er erachter aan.
Daar houden ze niet van, alleen als die thuis is dan. Ik kan alleen niet onder de grond kijken’.

De kale man zucht hoorbaar en slaat zijn dikke harige benen over elkaar. Net zo bol als zijn buik.
‘Goh, is alles wat hij zegt.

De slungel ratelt door, ‘Eigenlijk mooie beesten en best nuttig, voor mijn kleigrond dan.
Al vang ik ervan de week nog wel meer’.

Dan slaat de kerkklok vijf uur en staat de slungel op en loopt weg zonder enig afscheid.
De kale staart hem na vanaf het terras.

Als de slungel wegfietst is de stilte nog even voelbaar. Dan staat de kale op
en zegt hardop’ uit het niets, ‘ ik ga naar huis, mijn vrouw heeft de piepers opgezet, rond of niet rond’.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.